ECLI:NL:CRVB:2023:1419
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op IVA-uitkering bij niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich ziek met gezondheidsklachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Na een psychiatrische expertise en aanvullend onderzoek werd zij volledig arbeidsongeschikt verklaard, maar het UWV kende haar een WGA-uitkering toe omdat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het tweede besluit af. De kern van het geschil was of de arbeidsongeschiktheid duurzaam was. De verzekeringsarts en de deskundige concludeerden dat er behandelmogelijkheden waren die verbetering konden brengen, waardoor de beperkingen niet duurzaam waren.
In hoger beroep stelde appellante dat haar situatie niet zou verbeteren en dat de behandeling geen effect had. De Raad oordeelde dat de medische rapporten en het deskundigenadvies voldoende onderbouwing boden dat de beperkingen niet duurzaam waren. De beëindiging van de behandeling in 2022 werd niet als doorslaggevend gezien.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat appellante geen recht heeft op een IVA-uitkering omdat zij niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op een IVA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is.