ECLI:NL:CRVB:2023:1424
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van vaststelling arbeidsongeschiktheid op 67,18% na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant, laatstelijk administratief medewerker, meldde zich in 2015 ziek met psychische en lichamelijke klachten en ontving een WGA-uitkering van het UWV. Na een bezwaarprocedure werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 67,18% per 20 mei 2018, gebaseerd op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidsdeskundig onderzoek.
Appellant voerde in bezwaar en beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, met name vanwege de diagnoses ASS en PTSS die volgens hem onvoldoende werden meegewogen, en dat de urenbeperking ten onrechte niet werd vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere beoordeling. De Raad stelde vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een zwaarwegend en gemotiveerd oordeel gaf, dat het medisch specialistische advies van Hernandez-Dwarkasing zwaarder woog dan dat van de psycholoog Van Rijn, en dat geen nieuwe medische gegevens waren overgelegd die aanleiding gaven tot een ander oordeel.
De Raad concludeerde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch passend zijn en dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 67,18%. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van arbeidsongeschiktheid op 67,18% wordt bevestigd.