ECLI:NL:CRVB:2023:1429
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als autopoetser, meldde zich ziek met schouderklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidskundige rapporten vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij de medische beperkingen en geschiktheid van functies voldoende gemotiveerd achtte.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en overhandigde aanvullende medische stukken, waaronder rapporten van een orthopedisch chirurg en huisarts. Hij stelde dat hij geen benutbare mogelijkheden heeft en dat meer beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) moesten worden opgenomen, mede vanwege psychische klachten.
De Raad oordeelde dat de nieuwe medische stukken grotendeels al bekend waren en dat het recente spreekuurverslag van december 2022 niet relevant was omdat het na de datum van beoordeling lag. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de medische grondslag en geschiktheid van de geselecteerde functies juist zijn vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.