ECLI:NL:CRVB:2023:1433
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning gedeeltelijke WGA-uitkering wegens psychische en fysieke klachten
Appellant, laatstelijk werkzaam als intermediair, meldde zich op 17 april 2019 ziek met psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant 64,25% arbeidsongeschikt is en kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met ingang van 14 april 2021. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is vanwege ernstige psychische klachten, pijnklachten mogelijk door fibromyalgie en hartproblemen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat het dossier geen aanwijzingen bevatte voor een hogere mate van beperkingen dan vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had appellant onderzocht en aanvullende informatie ingewonnen bij behandelend specialisten, waarna de FML was aangepast.
De Raad concludeerde dat appellant ondanks zijn klachten in staat is tot zelfzorg en dagelijkse activiteiten, en dat de beperkingen adequaat zijn vastgesteld. Er was geen medische informatie die aanleiding gaf tot twijfel aan de FML. Het UWV had ook voldoende gemotiveerd dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd medisch geschikt zijn. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van een WGA-uitkering van 64,25% bevestigd.