ECLI:NL:CRVB:2023:1467
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving een WIA-uitkering op grond van volledige arbeidsongeschiktheid sinds 2009. Na een herbeoordeling in 2020 stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 11 april 2020. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij meer beperkingen had dan het UWV aannam, waardoor zij de geselecteerde functies niet kon vervullen.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen aangescherpt, maar het UWV handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV de beperkingen juist had vastgesteld en dat alle klachten in de beoordeling waren betrokken.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt zonder nieuwe medische informatie te leveren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend waren en dat de medische beoordeling juist was. Het hoger beroep werd verworpen, waardoor de beëindiging van de WIA-uitkering in stand bleef.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering van appellante terecht is beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.