Appellant diende op 7 mei 2019 een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor de eerste maand huur van een nieuwe woning, welke door het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk werd afgewezen. Na bezwaar en een tweede aanvraag werd het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en de aanvraag opnieuw afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte niet had beslist op zijn verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad oordeelde dat de rechtbank inderdaad niet op dit verzoek had beslist, wat onjuist was. De Raad vernietigde dit deel van de uitspraak en beoordeelde het verzoek zelf.
De Raad stelde dat de redelijke termijn niet was overschreden, omdat de bezwaar-, beroep- en hoger beroepsfase gezamenlijk binnen de toegestane vier jaar waren afgerond. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom afgewezen. Wel werd het college veroordeeld tot vergoeding van de reiskosten van appellant voor de zitting en werd het betaalde griffierecht aan appellant terugbetaald.