Uitspraak
Samenvatting
Inleiding
.Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand en werd geconfronteerd met een boete van het college wegens het niet melden van bijschrijvingen op zijn bankrekening, waardoor de bijstand werd herzien en teruggevorderd. Het college legde een boete op en kende bijstand toe met ingang van de datum van melding, niet met terugwerkende kracht. Tevens werd een maatregel opgelegd omdat appellant door eigen toedoen zijn werk niet had behouden.
Appellant voerde aan dat zijn moeilijke karakter en psychische problematiek de schending van de inlichtingenverplichting en het verlies van werk niet verwijtbaar maken en dat hij recht had op bijstand met terugwerkende kracht. Deze argumenten werden niet onderbouwd en faalden. De Raad oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden bestonden voor terugwerkende bijstand en dat de boete en maatregel terecht waren opgelegd.
De rechtbank had de besluiten van het college in stand gelaten en de Raad bevestigde deze uitspraak. De boete werd verlaagd naar een evenredig bedrag, de bijstand toegekend vanaf de datum van melding en de maatregel toegepast conform de verordening. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten.
De uitspraak benadrukt het belang van het tijdig melden van inkomsten en het behouden van werk om bijstand te behouden, en bevestigt dat persoonlijke omstandigheden zonder onderbouwing niet leiden tot vermindering van verwijtbaarheid of terugwerkende bijstand.
Uitkomst: De boete, de ingangsdatum van de bijstand per 19 mei 2020 en de maatregel worden gehandhaafd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.