ECLI:NL:CRVB:2023:153
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens ontbreken geldige verblijfstitel
Appellant, met de Bulgaarse nationaliteit, ontving sinds september 2016 bijstand op grond van de Participatiewet. De staatssecretaris stelde in juli 2019 vast dat appellant geen rechtmatig verblijf in Nederland had als gemeenschapsonderdaan en sommeerde hem Nederland te verlaten.
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam trok de bijstand per 31 maart 2020 in en vorderde de bijstandskosten over de periode 31 maart tot 31 juli 2020 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het college op grond van bijzondere omstandigheden alsnog bijstand had moeten verlenen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant niet onder de werkingssfeer van de Participatiewet valt omdat hij geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de Participatiewet. Hierdoor kan artikel 16, tweede lid, van de Participatiewet toepassing vinden, waardoor het college geen bijstand kan verlenen op grond van zeer dringende redenen. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.