ECLI:NL:CRVB:2023:1536
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herbeoordeling arbeidsongeschiktheid WIA met verbeterde motivering
Appellant, laatstelijk werkzaam als monteur, meldde zich ziek met klachten aan het bewegingsapparaat en psychische klachten. Het UWV kende hem een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%, die later werd herbeoordeeld en vastgesteld op minder dan 35%, waardoor de uitkering werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld en de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) als voldoende werden beschouwd. Appellant stelde in hoger beroep dat hij meer beperkt was dan aangenomen, met name door schouder-, arm- en elleboogklachten en beperkingen in samenwerking met collega’s.
De Raad benoemde een onafhankelijke arbeidsdeskundige die concludeerde dat appellant geschikt was voor een aantal functies, maar ongeschikt voor een functie die meer samenwerking vereiste. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep liet de functie met meer samenwerking vervallen, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd bleef onder 35%.
De Raad oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berustte, maar dit gebrek werd gepasseerd omdat geen benadeling aannemelijk was. Het hoger beroep werd afgewezen en het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en griffierecht van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en griffierecht.