ECLI:NL:CRVB:2023:157
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na herbeoordeling
Appellante, voormalig apothekersassistente, meldde zich ziek na een auto-ongeval in 2016 en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering van april 2018 tot februari 2019 met een arbeidsongeschiktheid van 37,52%. Na afloop van deze uitkering werd haar arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld door het UWV, waarbij een verzekeringsarts neurologische en psychiatrische expertises liet verrichten en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opstelde.
Het UWV stelde bij besluit van 4 februari 2020 vast dat appellante vanaf 11 augustus 2020 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor haar WIA-uitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep, maar zowel de rechtbank Rotterdam als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de medische en arbeidskundige beoordeling juist was. De rechtbank vond dat de medische stukken van Turkse artsen, overgelegd door appellante, betrekking hadden op een periode na de datum in geding en geen nieuwe inzichten boden.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen ononderbroken voortduren sinds het ongeval en dat de medische gegevens uit Turkije wel degelijk relevant zijn. De Raad volgde dit niet en bevestigde dat de verzekeringsarts een volledig beeld had van haar situatie per datum in geding. De Raad concludeerde dat het UWV terecht de WGA-uitkering heeft beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De WGA-uitkering van appellante is terecht beëindigd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.