Appellant heeft meerdere keren een Wajong-uitkering aangevraagd, waarbij het UWV telkens op basis van verzekeringsgeneeskundig onderzoek en dossieronderzoek de aanvragen heeft afgewezen. De medische gegevens toonden geen bewijs van beperkingen door medisch objectiveerbare pathologie op het moment van het achttiende levensjaar of tijdens de studieperiode.
De rechtbank Oost-Brabant heeft het beroep van appellant tegen het laatste besluit ongegrond verklaard. Zij oordeelde dat de medische informatie onvoldoende was om arbeidsongeschiktheid in de relevante periode aan te tonen. Traumatische ervaringen en diagnoses zoals PTSS en ziekte van Crohn werden pas na het achttiende levensjaar vastgesteld, en de belastbaarheid kon niet met terugwerkende kracht betrouwbaar worden vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en verzocht om een onafhankelijke bedrijfspsychiater. De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat het hoger beroep geen nieuwe feiten of argumenten bevatte die tot een ander oordeel konden leiden. Het verzoek tot inschakeling van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af, waarmee de afwijzing van de Wajong-uitkering definitief werd bevestigd.