ECLI:NL:CRVB:2023:1577
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij WIA-uitkering
Appellante ontving vanaf april 2019 een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA met een arbeidsongeschiktheid van 100%. Het UWV beëindigde deze uitkering per september 2020 wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Het bezwaar van appellante werd aanvankelijk ongegrond verklaard. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing eveneens ongegrond.
Tijdens het hoger beroep nam het UWV in januari 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar waarin het bezwaar alsnog gegrond werd verklaard en de arbeidsongeschiktheid op 100% werd vastgesteld. Dit betekende dat de WGA-uitkering ten onrechte was beëindigd. Appellante stemde in met de voortzetting van de uitkering en de toekenning van een IVA-uitkering per juni 2020.
De Raad constateerde echter dat de formele vaststelling van de IVA-uitkering in de gewijzigde beslissing ontbrak, maar het UWV bevestigde later dat de IVA-uitkering per juni 2020 wordt verstrekt. Hierdoor ontbrak het procesbelang voor het hoger beroep, dat daarom niet-ontvankelijk werd verklaard.
Tot slot veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante voor bezwaar, beroep en hoger beroep, inclusief het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.