Appellant heeft ruim elf jaar na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een AOW-pensioen aangevraagd. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft het pensioen toegekend met één jaar terugwerkende kracht per 1 december 2019, waarna appellant bezwaar maakte tegen de ingangsdatum. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit.
Appellant voerde aan dat zijn bijzondere situatie, waaronder zijn functioneel leeftijdsontslag bij de Koninklijke Marine en het ontvangen van een ABP-pensioen, een langere terugwerkende kracht rechtvaardigde. Ook stelde hij dat correspondentie mogelijk aan zijn aandacht was ontsnapt vanwege de ziekte en het overlijden van zijn echtgenote.
De Raad oordeelde dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de AOW die een langere terugwerkende kracht rechtvaardigt. De veronderstelling van appellant dat zijn AOW-pensioen bij het ABP-pensioen was inbegrepen en het niet op de hoogte zijn van het niet ontvangen van AOW, komen voor zijn eigen risico. Ook was er geen bewijs van onjuiste of onvolledige voorlichting door de Svb.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.