ECLI:NL:CRVB:2023:1616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juiste uitvoering terugvordering AOW-pensioen na eerdere uitspraak
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) over de terugvordering van AOW-pensioen. Eerder oordeelde de Raad dat appellant in de periode van 1 april 2011 tot 1 mei 2016 geen gezamenlijke huishouding voerde, waardoor hij recht had op een alleenstaande AOW-uitkering. Voor de periode van 1 mei 2016 tot en met 30 november 2018 was er wel sprake van een gezamenlijke huishouding, waardoor appellant teveel AOW-pensioen ontving.
De Svb stelde vervolgens een nieuw terugvorderingsbedrag vast van € 11.676,24 over deze periode. Appellant betwistte deze terugvordering, onder meer omdat hij meent dat de Svb geen bewijs leverde van de gezamenlijke huishouding en dat hij niet gehoord was. De Raad oordeelde dat de Svb enkel een nadere financiële uitwerking van de eerdere uitspraak had uitgevoerd en dat opnieuw horen niet verplicht was.
De Raad concludeerde dat appellant geen zelfstandige gronden had aangevoerd tegen de hoogte van de terugvordering en dat de Svb het bedrag correct had vastgesteld. Ook werd vastgesteld dat appellant de aangepaste terugvordering reeds had voldaan en dat een te veel verrekend bedrag aan appellant moest worden terugbetaald. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van € 11.676,24 wordt bevestigd.