Uitspraak
OVERWEGINGEN
Samenvatting
Wajong-uitkering heeft geweigerd.
Inleiding
Wajong-uitkering gehandhaafd. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant in 1998 met geselecteerde functies meer kon verdienen dan zijn maatmanloon.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1975, vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van doorlopende arbeidsongeschiktheid sinds zijn 17e. Het Uwv weigerde deze uitkering omdat uit medisch en arbeidskundig onderzoek bleek dat appellant na 1998 in staat was om passend werk te verrichten en meer dan 75% van het minimumloon te verdienen.
De rechtbank Rotterdam vernietigde aanvankelijk het besluit en gaf het Uwv opdracht tot herbeoordeling, waarbij werd vastgesteld dat appellant niet doorlopend arbeidsongeschikt was. Na hernieuwde beoordeling handhaafde het Uwv de weigering. Appellant stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat hij onvoldoende rekening hield met zijn beperkingen, waaronder erfelijke neuralgische amyotrofie en slaapstoornissen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het onderzoek zorgvuldig was, dat het dossieronderzoek volstond en dat de arbeidsdeskundige passende functies selecteerde die appellant kon vervullen. De Raad concludeert dat appellant niet arbeidsongeschikt is in de zin van de Wajong en bevestigt het besluit tot weigering van de uitkering. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering aan appellant.