Appellante was administratief medewerker en meldde zich in 2014 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende haar een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 63,77%, later verlaagd naar 55-65%. Na herbeoordeling stelde een verzekeringsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op met beperkingen, waarna de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid berekende op 35,15%. Het UWV besloot de uitkering te herzien en te verlagen.
Appellante en haar ex-werkgever maakten bezwaar, waarna het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vaststelde op minder dan 35% en de uitkering beëindigde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld. De arbeidsdeskundige had functies geselecteerd die binnen de belastbaarheid van appellante vielen.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunten, onder meer dat de diagnose fibromyalgie onvoldoende was meegewogen en dat de urenbeperking onjuist was. De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die concludeerde dat de FML van 2018 correct was en dat er geen medische grond was voor een strengere urenbeperking. De Raad volgde het oordeel van de deskundige en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.