Uitspraak
20.448 WIA, 21/293 ZW
OVERWEGINGEN
.Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was quality assurance manager en meldde zich ziek vanaf december 2015. Het UWV weigerde hem een WIA-uitkering per 6 december 2017 en een Ziektewet-uitkering per 16 mei 2018 en 7 januari 2019, omdat hij geschikt werd geacht voor zijn eigen werk. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen deze besluiten, maar rechtbank en Raad bevestigden de besluiten.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen niet juist waren weergegeven, ondersteund door rapporten van een door hem ingeschakelde verzekeringsarts. De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts die concludeerde dat appellant slechts beperkt was in activiteiten boven schouderhoogte, wat niet relevant was voor zijn werk. De Raad volgde dit deskundigenrapport en bevestigde dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk.
Daarnaast oordeelde de Raad dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden met één jaar en zeven maanden, waardoor de Staat veroordeeld werd tot een schadevergoeding van € 2.000,- en de proceskosten van € 418,50 aan appellant moest vergoeden.
De aangevallen uitspraken van de rechtbank worden bevestigd, waarmee het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; appellant geschikt voor eigen werk; Staat veroordeeld tot schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.