ECLI:NL:CRVB:2023:1657
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende toegenomen beperkingen
Appellante, werkzaam als telefonisch consulent, meldde zich in 2013 ziek na blootstelling aan giftige stoffen. Het UWV weigerde in 2016 een WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na melding van verslechtering in 2019 stelde een UWV-arts een nieuw ziektebeeld vast, depressie, maar het UWV weigerde alsnog de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de toegenomen klachten voortkomen uit een andere oorzaak dan de eerdere beoordeling.
In hoger beroep voerde appellante aan dat er sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak, het bedrijfsongeval uit 2013, en dat de verslechtering niet medisch juist als nieuw ziektebeeld is gekwalificeerd. De Raad benoemde een psychiater als deskundige, die concludeerde dat de beperkingen in 2019 niet groter waren dan in de FML van 2016 en dat er sprake was van een somatisch-symptoomstoornis.
De Raad volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat er geen toegenomen beperkingen waren, waardoor de vraag naar de ziekteoorzaak niet hoefde te worden beantwoord. Het UWV had het bestreden besluit pas in hoger beroep voldoende onderbouwd, maar appellante was hierdoor niet benadeeld. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak, wees het hoger beroep af en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.