Uitspraak
22 373 WAJONG
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1979, vroeg een Wajong-uitkering aan vanwege psychische en fysieke klachten. Het UWV wees de aanvraag af omdat de klachten pas na haar achttiende jaar waren ontstaan, waardoor zij niet als jonggehandicapte kon worden aangemerkt. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en stelde vast dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat onvoldoende bewijs bestond dat appellante voor haar zeventiende jaar arbeidsongeschikt was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij wel degelijk voor haar zeventiende jaar arbeidsongeschikt was, mede door bijzondere jeugdomstandigheden en psychische klachten die haar belemmerden. Zij stelde dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met deze omstandigheden en het ontbreken van medische gegevens.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het beoordelingskader van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) van toepassing is en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was. Appellante had niet aannemelijk gemaakt dat zij op haar zeventiende of achttiende jaar voldeed aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering. Het ontbreken van medische informatie over haar belastbaarheid op die leeftijd kwam voor haar risico. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd.