Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:1680

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 augustus 2023
Publicatiedatum
30 augustus 2023
Zaaknummer
21/1402 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming UWV en proceskostenveroordeling

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV inzake de WIA. Na een gewijzigde beslissing op bezwaar door het UWV op 2 februari 2023, waarin volledig aan de bezwaren van appellant werd tegemoetgekomen, heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.

De Centrale Raad van Beroep heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het verzoek van appellant tot proceskostenvergoeding behandeld. De Raad oordeelde dat het UWV, dat reeds kosten in de bezwaarfase had vergoed, ook de proceskosten in beroep en hoger beroep moest vergoeden.

De proceskosten voor de rechtsbijstand in zowel beroep als hoger beroep zijn vastgesteld op €1.674,- per fase, plus reiskosten van €26,-. In totaal is het UWV veroordeeld tot vergoeding van €3.374,- aan appellant. Het griffierecht dient appellant rechtstreeks bij het UWV te verhalen.

Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot vergoeding van €3.374,- aan proceskosten na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Datum uitspraak: 30 augustus 2023
21/1402 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
22 maart 2021, 20/5813 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 22 december 2022 een tussenuitspraak gedaan, gepubliceerd onder ECLI:NL:CRVB:20
22:2815
Het Uwv heeft op 2 februari 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 21 maart 2023 heeft mr. I.G.M. van Gorkum namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft gebruikgemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellant is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 2 februari 2023 volledig aan haar bezwaren tegemoet is gekomen.
Aangezien het Uwv al heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase, moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten voor de aan appellant beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.674,- in beroep (1 punt voor het indienen van het (aanvullend) beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 1.674,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het (aanvullend) hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Ook komen de door appellant gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep, overeenkomstig het daarvoor geldende openbaar vervoerstarief, voor vergoeding in aanmerking. Het in het proceskostenformulier genoemde bedrag van € 26,- komt daarmee overeen en dient dus te worden vergoed. In totaal dient het Uwv dus € 3.374,- te vergoeden.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.374,-.
Deze uitspraak is gedaan door F.M Rijnbeek, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2023.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) H. Alajai