Appellante heeft een AOW-pensioen aangevraagd vanwege het overlijden van haar echtgenoot, die volgens haar jarenlang in Nederland heeft gewoond en gewerkt. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende haar een pensioen toe van 40% van het maximale AOW-pensioen vanwege huwelijkse tijdvakken, met ingang van 1 mei 2019. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat haar echtgenoot na 1988 in Nederland verbleef.
In hoger beroep erkende de Svb dat het pensioen met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2015 moet worden toegekend. De Raad oordeelde dat appellante geen recht heeft op een hoger pensioen omdat onvoldoende bewijs is geleverd dat haar echtgenoot tussen 1988 en 1995 in Nederland woonde of werkte. De uitschrijving uit de gemeentelijke basisadministratie in 1995 is onvoldoende om het verblijf aan te nemen.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de Svb voor zover het de ingangsdatum betreft, en stelde deze vast op 1 mei 2015. Tevens werd appellante een proceskostenvergoeding toegekend van €3.348,- en werd het betaalde griffierecht vergoed.