ECLI:NL:CRVB:2023:1710
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekte met lichamelijke klachten, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Na bezwaar en beroep heeft de rechtbank Rotterdam het besluit van het UWV bevestigd. Appellante stelde dat zij meer beperkingen heeft dan vastgesteld, met name voor reiken en statische houdingen, en dat nader onderzoek naar psychische klachten had moeten plaatsvinden.
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en geoordeeld dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De medische beoordeling is voldoende gemotiveerd en gebaseerd op een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige. De door appellante aangevoerde medische beperkingen zijn niet onderbouwd met nieuwe medische gegevens. Ook is er geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van de geselecteerde functies.
De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen van appellante correct zijn vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend zijn. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.