ECLI:NL:CRVB:2023:1727
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WIA-uitkering wegens ontoereikende medische grondslag
De zaak betreft het hoger beroep tegen de weigering van het UWV om appellant een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank Overijssel oordeelde eerder dat het besluit onvoldoende medisch was onderbouwd. De Centrale Raad van Beroep gaf het UWV opdracht de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aan te passen aan het rapport van de verzekeringsarts.
Het UWV heeft vervolgens een gewijzigde FML ingediend met aanvullende beperkingen. De Raad beoordeelde dat het UWV hiermee aan de tussenuitspraak voldeed en dat het bestreden besluit in hoger beroep arbeidskundig deugdelijk was gemotiveerd. Appellant voerde aan dat de geduide functies ongeschikt waren vanwege werkomstandigheden en werktempo, maar deze bezwaren werden door de Raad verworpen op grond van de rapportages van de arbeidsdeskundige.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht van appellant.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd, de rechtsgevolgen blijven in stand, en het UWV wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.