Uitspraak
22 2510 WIA
23 juni 2022, 21/3149 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Werkneemster was sinds 2011 arbeidsongeschikt en ontving een WGA-uitkering. Na verzoek tot herbeoordeling stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid per 10 maart 2020 vast op 64,35%, en per 9 juni 2020 op 55,43%, waarna bezwaren werden ingediend door werkgever en werkneemster.
In de bezwaarfase voerden een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige aanvullend onderzoek uit en berekenden zij hogere percentages van respectievelijk 69,92% en 70,09%. Het UWV herzag daarop de besluiten en kende een WGA-vervolguitkering toe op basis van 65 tot 80% arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van werkgever ongegrond en oordeelde dat de mate van arbeidsongeschiktheid correct was vastgesteld, mede omdat de medische gegevens geen aanwijzingen gaven voor volledige ongeschiktheid en de geselecteerde functies passend waren. Werkgever voerde in hoger beroep aan dat werkneemster psychisch niet zelfredzaam was en de functies ongeschikt, maar de Raad onderschreef de rechtbank en concludeerde dat de indicatie voor begeleiding beperkt was en de functies passend.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van werkneemster terecht is vastgesteld en verklaart het hoger beroep van werkgever ongegrond.