ECLI:NL:CRVB:2023:1796
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gelijktijdige tenuitvoerlegging van bijstandsmaatregelen en vaststelling aanvangsvermogen
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand na beëindiging van het bedrijf van appellant. Het college legde twee maatregelen gelijktijdig op: een verlaging van 10% voor één maand wegens het niet tijdig inschrijven van de echtgenote als werkzoekende, en een verlaging van 20% voor zestien maanden wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid door appellant, die een schadevergoeding ontving en direct aan derden overmaakte.
Appellant maakte bezwaar tegen de maatregelen en de vaststelling van het aanvangsvermogen, met name de waarde van zijn auto. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het college terecht de maatregelen gelijktijdig kon opleggen en de waarde van de auto juist had vastgesteld op basis van de ANWB-BOVAG koerslijst minus een beleidsmatige aftrek.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en voerde hij aan dat de gelijktijdige maatregelen disproportioneel waren, een beroep op het evenredigheidsbeginsel. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de maatregelen voor hem en zijn echtgenote persoonlijk onevenredig waren. De enkele algemene stelling volstond niet.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en liet de maatregelen en het aanvangsvermogen ongewijzigd. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht werd niet teruggegeven.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het college en verklaart het hoger beroep ongegrond.