ECLI:NL:CRVB:2023:1819

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 september 2023
Publicatiedatum
29 september 2023
Zaaknummer
20/774 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot veroordeling college in proceskosten na intrekking hoger beroep

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant waarin het college werd opgedragen opnieuw te beslissen op bezwaar over auto-aanpassingen. Vervolgens trok appellant het hoger beroep in nadat partijen een schikking bereikten over de vergoeding van auto-aanpassingen, proceskosten en immateriële schade.

De Raad overwoog dat het college niet in hoger beroep is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb, omdat het hoger beroep zich richtte tegen de beslissing dat het college opnieuw op bezwaar moest beslissen. Het college had wel proceskosten vergoed in de eerdere procedure bij de rechtbank.

Daarom wees de Centrale Raad van Beroep het verzoek om het college te veroordelen in de kosten van het hoger beroep af. De uitspraak werd gedaan door D. Hardonk-Prins op 27 september 2023.

Uitkomst: Het verzoek om het college te veroordelen in de kosten van het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

Datum uitspraak: 27 september 2023
20/774 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
8 januari 2020, 18/1763 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Y. van der Linden, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Bij brief van 14 juni 2022 heeft mr. Van der Linden namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit van 12 juni 2018 vernietigd voor zover het ziet op de afwijzing van de in december 2016 gevraagde auto-aanpassingen in de vorm van een rolstoellift en een bevestigingsmogelijkheid. De rechtbank heeft het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.
3. Appellant heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat de rechtbank het college niet had moeten opdragen opnieuw op het bezwaar te beslissen, maar het geschil finaal had moeten beslechten door een deskundige in te schakelen en zelf in de zaak te voorzien.
4. Appellant heeft op 5 juni 2020 een nieuwe aanvraag om auto-aanpassingen gedaan. Het college heeft een deskundige ingeschakeld voor het verrichten van onderzoek. Vervolgens heeft het college appellant bij besluit van 5 augustus 2021 in aanmerking gebracht voor een financiële vergoeding voor auto-aanpassingen. Appellant heeft hiertegen rechtstreeks beroep ingesteld. Dit beroep is ter zitting van de rechtbank behandeld. Partijen hebben vervolgens een schikking bereikt, die ziet op de hoogte van de vergoeding voor de auto-aanpassingen, vergoeding van de proceskosten in beroep en op een immateriële schadevergoeding.
5.1.
Vastgesteld wordt dat mr. Van der Linden het hoger beroep heeft ingetrokken, nadat tussen partijen overeenstemming is bereikt in de procedure die bij de rechtbank aanhangig is gemaakt. Het college heeft daarbij proceskosten vergoed voor de beroepsprocedure.
5.2.
Gelet op deze gang van zaken, kan niet gezegd worden dat het college in de hoger beroepsprocedure is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Dat kon ook niet, omdat het hoger beroep was gericht tegen de uitspraak van de rechtbank dat het college opnieuw op het bezwaar moest beslissen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om het college te veroordelen in de door appellant in hoger beroep gemaakte kosten af.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2023.