Appellante ontvangt sinds 2013 bijstand en werd onderzocht vanwege mogelijke onjuiste opgave van inkomsten. Tijdens een gesprek met de gemeente verklaarde zij geld op te nemen van de bankrekening van haar ex-partner, die in een Korsakovkliniek verbleef, en dit te gebruiken voor zijn lasten en eigen boodschappen. Het college stelde vast dat appellante meer geld van die rekening opnam dan zij op haar eigen rekening stortte en concludeerde dat zij haar inlichtingenverplichting had geschonden door dit niet te melden.
Het college herzag de bijstand, vorderde een bedrag van € 2.873,22 terug en legde een boete van € 630,- op. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij haar verplichtingen niet had geschonden en dat de bankafschriften van haar ex-partner niet gebruikt mochten worden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit.
In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellante feitelijk over de gelden kon beschikken en dit had moeten melden. Het gebruik van de bankafschriften was toegestaan omdat deze vrijwillig waren overgelegd. De boete was proportioneel gezien de ernst en verwijtbaarheid. Het hoger beroep werd verworpen en de besluiten bleven in stand.