Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Samenvatting
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand sinds mei 2018 en verkocht op 11 december 2020 zijn woning. Het dagelijks bestuur trok daarop de bijstand met ingang van die datum in, omdat appellant beschikte over vermogen boven de geldende vermogensgrens. Na bezwaar handhaafde het bestuur het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad beoordeelde of het dagelijks bestuur terecht de bijstand introk. De Raad oordeelde dat het bestuur bij de vermogensvaststelling terecht de vuistregels uit een eerdere uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2018:792) heeft toegepast. Appellant voerde aan dat de berekening fictief was en onvoldoende rekening hield met negatief vermogen, maar dit verweer werd verworpen.
Verder verzocht appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de totale procedure nog geen vier jaar duurde, waardoor geen sprake was van overschrijding. Het hoger beroep werd afgewezen, de intrekking van de bijstand blijft in stand, en het verzoek om schadevergoeding wordt geweigerd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand blijft in stand; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.