ECLI:NL:CRVB:2023:1917

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 oktober 2023
Publicatiedatum
13 oktober 2023
Zaaknummer
22/3681 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking schikkingsvoorstel

Appellant betwist dat de minister een schikkingsvoorstel uit 2016 niet meer uitvoert en vordert uitbetaling van €10.000,-. De minister heeft in 2022 medegedeeld dat het voorstel niet meer geldig is, omdat de voorwaarden destijds niet zijn nageleefd en de kwestie reeds is afgedaan met een eerdere uitspraak van de Raad.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk, omdat het schikkingsvoorstel geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de intrekking daarvan evenmin. Appellant ging in hoger beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep niet slaagt. Het schikkingsvoorstel was een informatieve briefwisseling zonder rechtsgevolg, omdat appellant destijds niet aan de voorwaarden voldeed en verder procedeerde. Daarom is het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet uitvoeren van het schikkingsvoorstel wordt niet-ontvankelijk verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

22/3681 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 oktober 2022, 22/1647 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister)
Datum uitspraak: 12 oktober 2023

PROCESVERLOOP

In een brief van 8 februari 2022 heeft de minister appellant laten weten dat een schikkingsvoorstel uit 2016 niet meer geldt.
Appellant heeft laten weten dat hij het hiermee niet eens is.
De minister heeft hierop gereageerd met een brief van 22 maart 2022.
Appellant heeft tegen de brief van 22 maart 2022 beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft geen verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 31 augustus 2023. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Bent.

OVERWEGINGEN

Samenvatting

Appellant is het er niet mee eens dat de minister een schikkingsvoorstel uit 2016 niet alsnog heeft willen uitvoeren. De rechtbank heeft het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard. De Raad is van oordeel dat de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
In een brief van 14 januari 2022 heeft appellant de minister laten weten alsnog akkoord te gaan met een schikkingsvoorstel van de minister van 1 december 2016. Hij heeft de brief met het voorstel alsnog ondertekend en verzocht om uitbetaling van € 10.000,-.
1.2.
Met een brief van 8 februari 2022 heeft de minister meegedeeld dat het schikkingsvoorstel niet meer geldig is en dat er geen grond is om alsnog tot uitbetaling over te gaan. De kwestie tussen appellant en de minister is afgedaan met de uitspraak van 4 juli 2019 van de Raad. [1]
1.3.
Bij brief van 11 februari 2022 heeft appellant laten weten dat hij bezwaar wenst te maken tegen het niet uitbetalen van € 10.000,-.
1.4.
Met een brief van 22 maart 2022 heeft de minister appellant verwezen naar de inhoud van de brief van 8 februari 2022.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Het standpunt van appellant

3. Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Volgens hem heeft hij recht op uitbetaling van € 10.000,-.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Een schikkingsvoorstel is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is de intrekking van een schikkingsvoorstel dat evenmin. [2] In dit geval heeft appellant de minister in 2022 een brief geschreven over een schikkingsvoorstel van jaren eerder. Tot een schikking is het destijds niet gekomen. Voorwaarde voor de uitbetaling van de destijds aangeboden € 10.000,- was immers dat appellant niet verder zou procederen en corresponderen. Appellant heeft ervoor gekozen om dat wel te doen, wat uiteindelijk heeft geresulteerd in de genoemde uitspraak van de Raad van 4 juli 2019. Daarmee heeft het bewuste schikkingsvoorstel zijn betekenis al jarenlang verloren. Van enig rechtsgevolg is nooit sprake geweest.
4.2.
De correspondentie tussen appellant en de minister betreft dus een informatieve briefwisseling. De rechtbank heeft het beroep daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie en gevolgen

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
6. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2023.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) C.K. Teunissen

Voetnoten

2.Uitspraak van 7 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1730.