Appellante, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, ontving in 2017 een aanbod voor een minnelijke regeling over een langdurige geschil over haar inschaling en salaris. Na haar reactie waarin zij het beroep introk maar tevens schadevergoeding vroeg, trok het college het aanbod in. Appellante maakte bezwaar tegen deze intrekking, maar het college verklaarde dit bezwaar ongegrond. De rechtbank vernietigde dit besluit en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het aanbod en de intrekking daarvan geen besluit in de zin van de Awb vormen.
In hoger beroep betoogde appellante dat wel degelijk overeenstemming was bereikt en dat de intrekking onzorgvuldig was. De Raad oordeelde echter dat geen definitieve overeenstemming bestond, mede omdat appellante in haar reactie het salaris over eerdere jaren ter discussie stelde. Daarom was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Daarnaast verzocht appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de totale procedure bijna zes jaar duurde, terwijl de redelijke termijn voor dergelijke procedures vier jaar bedraagt. De Raad kende daarom een schadevergoeding van € 2.000 toe, waarvan het college en de Staat elk een deel betalen. Tevens werden proceskosten aan appellante toegekend. Het hoger beroep werd verder afgewezen.