ECLI:NL:CRVB:2023:1930
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening draagkracht op basis van partnerinkomen bij studieschuld
Appellante had een studieschuld opgebouwd voorafgaand aan het studiejaar 2009-2010. De minister had de draagkracht van appellante van 2010 tot 2019 herhaaldelijk vastgesteld op nihil, maar in 2019 werd deze herzien waarbij het inkomen van haar partner werd betrokken vanaf 1 november 2011. Appellante maakte bezwaar tegen deze herziening, maar dit werd door de minister ongegrond verklaard voor de periode januari 2017 tot en met mei 2019. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat er nooit sprake was geweest van partnerschap en dat de minister haar het vertrouwen had gegeven dat het inkomen van haar partner niet zou worden meegeteld. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd voor het ontbreken van partnerschap en dat er geen sprake was van een te honoreren vertrouwen dat het partnerinkomen buiten beschouwing zou blijven.
Verder merkte de Raad op dat het buiten beschouwing laten van het partnerinkomen alleen aan de orde kan zijn zolang er een studieschuld bestaat, terwijl appellante haar schuld inmiddels volledig had terugbetaald. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het griffierecht werd niet teruggegeven.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de herziening van de draagkracht op basis van het partnerinkomen bevestigd.