ECLI:NL:CRVB:2023:1942
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boete wegens schending inlichtingenverplichting bij IOAW-uitkering
Appellant ontving een IOAW-uitkering en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Naar aanleiding van een fraudemelding onderzocht de sociale recherche zijn woonsituatie, waarbij onder meer bleek dat het waterverbruik op het uitkeringsadres extreem laag was. Het college legde appellant een bestuurlijke boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting, omdat hij niet aannemelijk kon maken dat hij zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.
Appellant voerde aan dat de boete niet gepast was vanwege een eerdere schikking en dat hij voldoende informatie had verstrekt over zijn woonomstandigheden. De Raad oordeelde dat de boete niet onderdeel was van de schikking en dat het extreem lage waterverbruik de veronderstelling rechtvaardigt dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde. Zijn verklaringen konden dit niet weerleggen.
De Raad concludeerde dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat de boete terecht is opgelegd. Er waren geen omstandigheden die verminderde verwijtbaarheid rechtvaardigden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de boete van € 631,32 bleef in stand.
Uitkomst: De opgelegde bestuurlijke boete van € 631,32 wegens schending van de inlichtingenverplichting blijft in stand.