ECLI:NL:CRVB:2015:1807
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bestuurlijke boete wegens schending inlichtingenverplichting bij bijstand
Appellant ontving bijstand en werd aangehouden wegens handel in drugs, waarbij hij inkomsten uit criminele activiteiten niet meldde. Het college trok de bijstand in en legde een bestuurlijke boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank vernietigde dit boetebesluit omdat het college het strengere boeteregime onjuist toepaste op de periode vóór 1 januari 2013.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat het Boetebesluit voor bijstandszaken per 1 januari 2013 geldt en dat overgangsrecht vereist dat voor overtredingen vóór die datum het lichtere sanctiestelsel wordt toegepast. De Raad oordeelt dat appellant opzettelijk de inlichtingenverplichting schond en dat een boete van 100% van het benadelingsbedrag passend is voor de periode na 1 januari 2013.
De Raad stelt vast dat afronding van de boete naar boven in strijd is met de WWB en rondt daarom af naar beneden op een veelvoud van tien euro. Dringende redenen om van boete af te zien zijn niet aannemelijk gemaakt. De totale boete wordt vastgesteld op €1.935,07 en de eerdere opdracht tot herbeslissing komt te vervallen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het boetebesluit en legt een aangepaste boete van €1.935,07 op.