ECLI:NL:CRVB:2023:1948
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek ouderdomspensioen en overbruggingsuitkering op grond van artikel 7a AOW
Appellant, geboren in 1954, verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om vanaf zijn 65ste verjaardag een ouderdomspensioen of overbruggingsuitkering toe te kennen. De Svb wees dit verzoek af op grond van artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet (AOW), omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering en geen onevenredig zware last kon worden vastgesteld.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de Svb ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die eveneens het beroep ongegrond verklaarde. De rechtbank nam in haar overwegingen mee dat appellant zowel voor als na zijn 65ste verjaardag geen inkomen of vermogen had en werd onderhouden door familie en vrienden, en dat hij geen bijstandsuitkering had aangevraagd.
In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep heeft appellant aangevoerd dat de toepassing van artikel 7a AOW niet verenigbaar is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, mede vanwege zijn langdurig verblijf in Indonesië en uitschrijving uit de Basisregistratie Personen. De Raad oordeelde echter dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. De financiële situatie van appellant was niet veranderd en er waren geen bijzondere omstandigheden die een onevenredig zware last aannemelijk maken.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en het bestreden besluit van de Svb, en wees het hoger beroep af. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.