Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Arnhem om restitutie van vakantiegeld over 2010-2014, waarop het college bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde. Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat het prematuur was ingesteld, maar stelde niet expliciet vast dat het beroep tegen het besluit van 28 december 2022 ongegrond was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is, maar om een andere reden dan de rechtbank aangaf: het college had al een besluit genomen op 28 december 2022. Dat appellant dit besluit pas later ontving, doet hieraan niet af. De Raad vernietigt daarom het deel van de uitspraak dat niet op het beroep tegen het besluit ingaat en verklaart dit beroep ongegrond.
De Raad bevestigt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was omdat het bezwaar niet was gericht tegen een besluit als bedoeld in de Awb. De Raad wijst appellant erop dat als hij meent dat de deurwaarder onrechtmatig heeft gehandeld, hij zich tot de civiele rechter moet wenden. Er zijn geen proceskosten toegekend en het griffierecht is kwijtgescholden wegens betalingsonmacht.