ECLI:NL:CRVB:2023:1965
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inhouding bestuursrechtelijke premie op inkomen appellant
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het CAK om de maandelijks verschuldigde bestuursrechtelijke premie van €138,50 vanaf 1 februari 2019 rechtstreeks op zijn inkomen bij de gemeente ’s-Hertogenbosch in te houden. Het bezwaar werd bij besluit van 26 maart 2019 ongegrond verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank Oost-Brabant het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het CAK terecht toepassing had gegeven aan de broninhouding op grond van artikel 18f, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep, maar bracht geen nieuwe gronden of gemotiveerde argumenten naar voren die aanleiding zouden geven tot herziening van het eerdere oordeel. Tijdens de zitting op 12 september 2023 was appellant niet aanwezig, terwijl het CAK werd vertegenwoordigd door mr. J.M. Nijman.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De beslissing werd op 24 oktober 2023 in het openbaar uitgesproken door D. Hardonk-Prins.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de inhouding van de bestuursrechtelijke premie op het inkomen van appellant en verklaart het hoger beroep ongegrond.