ECLI:NL:CRVB:2023:1968
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding in AOW-pensioenzaken
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarin werd vastgesteld dat zij geen recht heeft op een AOW-pensioen, omdat zij niet in Nederland heeft gewoond of gewerkt en als tweede echtgenote van haar overleden man geen aanspraak kan maken op huwelijkse tijdvakken.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het te laat indienen van het beroepschrift en oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Appellante voerde aan dat zij analfabeet is, geen Nederlands spreekt en afhankelijk is van anderen, en dat door coronamaatregelen geen tolk beschikbaar was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het beroepschrift op 13 juli 2021 is ontvangen, terwijl de termijn op 21 mei 2021 eindigde. Het bestreden besluit was ook in het Frans verzonden naar een adres waar een persoon die appellante bijstaat de Franse taal beheerst. De door appellante aangevoerde omstandigheden zijn daarom geen geldige reden voor de overschrijding.
De Raad concludeert dat de belangenbehartiger van appellante niet adequaat heeft gehandeld, wat geen grond is om de termijnoverschrijding te verontschuldigen. Tevens is toegelicht dat het verschil in regelingen tussen nabestaandenuitkering en AOW-pensioen verklaart waarom appellante geen recht heeft op een AOW-pensioen op basis van huwelijkse tijdvakken.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.