ECLI:NL:CRVB:2020:1654
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning postuum ouderdomspensioen en toeslag aan tweede echtgenote op grond van NMV
Appellante, tweede echtgenote van de overleden verzekerde, vordert toekenning van huwelijkse tijdvakken in de toeslag bij het ouderdomspensioen van haar overleden echtgenoot en een zelfstandig ouderdomspensioen voor zichzelf. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had deze aanvragen afgewezen op grond van het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko (NMV) en het wijzigingsverdrag van 2004, waarbij alleen de eerste echtgenote aanspraak kan maken op huwelijkse tijdvakken.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond, verwijzend naar beleidsregels en eerdere jurisprudentie. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het buiten beschouwing laten van de huwelijkse tijdvakken van appellante in de toeslag van haar overleden echtgenoot niet verenigbaar is met artikel 39 van Pro het NMV. De Raad stelt de toeslag daarom vast op 24% in plaats van 6%, met toepassing van kortingen voor niet-verzekerde perioden.
Ten aanzien van de zelfstandige aanspraak van appellante op een ouderdomspensioen wijst de Raad dit af omdat zij niet de eerste echtgenote was en zich niet vrijwillig heeft verzekerd. De rechtbank heeft dit oordeel bevestigd. De Raad veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante voor zover die betrekking hebben op de toeslag.
De uitspraak bevestigt de bijzondere regeling rond huwelijkse tijdvakken binnen het NMV en benadrukt het onderscheid tussen eerste en tweede echtgenoten bij de pensioenopbouw en toeslagverlening. De Raad corrigeert het beleid van de Svb door de toeslag substantieel te verhogen en daarmee de verdragsrechtelijke bescherming te waarborgen.
Uitkomst: De toeslag op het ouderdomspensioen van de overleden echtgenoot wordt vastgesteld op 24%, terwijl de zelfstandige aanspraak van de tweede echtgenote op ouderdomspensioen wordt afgewezen.