ECLI:NL:CRVB:2023:1973
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering en terugvordering ziekengeld wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant werkte als verkoopmedewerker en meldde zich per 30 augustus 2020 ziek met buikpijnklachten. Het UWV kende aanvankelijk een voorschot op de Ziektewetuitkering toe, maar weigerde later definitief de uitkering en vorderde het voorschot terug wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.
In bezwaar en beroep concludeerde een verzekeringsarts dat appellant weliswaar al jaren buikpijnklachten had, maar dat deze klachten niet zodanig ernstig waren dat hij zijn eigen werk niet kon verrichten, ook niet op de datum in geding. De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht de uitkering had geweigerd en het voorschot teruggevorderd.
Appellant voerde aan dat door medicatie en injecties zijn klachten ernstig waren, maar de Raad volgde het oordeel van de verzekeringsarts dat appellant tijdens het dienstverband en op 30 augustus 2020 geschikt was voor zijn werk. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de weigering en terugvordering blijven in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de ZW-uitkering en de terugvordering van €4.592,49 bruto.