In deze zaak staat de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 18 april 2017 centraal. De Raad heeft eerder een tussenuitspraak gedaan waarin werd vastgesteld dat appellant verdergaand beperkt is dan het UWV aannam. Naar aanleiding hiervan heeft het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarin het arbeidsongeschiktheidspercentage werd aangepast, maar de toekenning van een IVA-uitkering werd afgewezen.
Appellant stelt dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en daarom recht heeft op een IVA-uitkering. De Raad heeft overwogen dat er geen medische onderbouwing is die dit standpunt ondersteunt en dat op basis van de Functionele Mogelijkhedenlijst passende functies zijn te selecteren waarmee appellant meer dan 20% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.
De Raad vernietigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en het besluit van 16 april 2018, verklaart het beroep gegrond en het beroep tegen de gewijzigde beslissing op bezwaar ongegrond. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep.