ECLI:NL:CRVB:2022:2372
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over vaststelling mate arbeidsongeschiktheid en medische grondslag WIA-uitkering
Appellant, laatstelijk werkzaam als senior administrateur, kreeg een WIA-uitkering toegekend wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordeling stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 39%, wat appellant betwistte. De rechtbank volgde het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij geen benutbare mogelijkheden heeft en dat het deskundigenrapport onvoldoende gemotiveerd is.
De Raad schakelde een onafhankelijke verzekeringsarts in die concludeerde dat er wel een medische grondslag is voor beperkingen in staan en een urenbeperking van 20 uur per week. De Raad vond de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende om van dit oordeel af te wijken. De Raad oordeelde dat het UWV het besluit van 16 april 2018 niet op een deugdelijke medische grondslag heeft gebaseerd.
De Raad draagt het UWV op binnen zes weken het gebrek in het besluit te herstellen door de beperkingen uit het deskundigenrapport over te nemen en de gevolgen daarvan voor de mate van arbeidsongeschiktheid te beoordelen. Deze tussenuitspraak is gedaan op 3 november 2022.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen op basis van het deskundigenrapport met beperkingen in staan en urenbeperking.