ECLI:NL:CRVB:2023:1979
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant ontving sinds 7 maart 2016 een WGA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het UWV werd vastgesteld dat appellant per 12 mei 2021 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna de WIA-uitkering werd beëindigd.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij meer beperkingen had dan het UWV aannam, mede vanwege de zorg voor zijn meervoudig gehandicapte kind. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen aangevuld, maar kwam tot eenzelfde conclusie dat de beperkingen niet tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid leidden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond het onderzoek zorgvuldig.
In hoger beroep betoogde appellant dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat onvoldoende rekening was gehouden met de extra psychische belasting. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat het UWV voldoende zorgvuldig onderzoek had gedaan en dat de medische en arbeidskundige beoordelingen de beëindiging van de uitkering rechtvaardigen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet terugbetaald.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.