ECLI:NL:CRVB:2023:1991
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij ziekengeld na WW-uitkering
Appellant was werkzaam als productiemedewerker via een uitzendbureau dat eigenrisicodrager is voor de Ziektewet (ZW). Na beëindiging van zijn dienstverband ontving appellant een WW-uitkering die per 1 september 2018 werd beëindigd. Op 24 september 2018 meldde appellant zich ziek bij zijn werkgever en het Uwv. Het Uwv stelde vast dat appellant geen recht had op ziekengeld op basis van de WW-uitkering omdat deze was beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat appellant door een nieuw dienstverband verzekerd was voor de ZW en daarom ziekengeld ontving van zijn werkgever. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij onder de nawerking van de WW-uitkering viel en dat hij vanaf de ziekmelding nog geen recht op ziekengeld bij de werkgever had.
De Raad constateert dat appellant erkent dat hij vanaf 24 september 2018 ziekengeld ontving van zijn werkgever en dat er geen WW-recht meer bestond. Omdat er geen geschil meer bestaat over het recht op ziekengeld, ontbreekt procesbelang en wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Verder oordeelt de Raad dat er geen verwijtbaarheid is aan de zijde van het Uwv en dat appellant daarom niet in de kosten wordt veroordeeld. Het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.