ECLI:NL:CRVB:2023:1993
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde voortzetting WGA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant werkte als productiemedewerker en meldde zich in maart 2018 ziek. Het UWV kende hem vanaf 27 maart 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 44,03%. Appellant meldde zich in april 2020 met toegenomen klachten en voegde een bedrijfsartsverklaring toe waarin volledige arbeidsongeschiktheid werd gesteld. Het UWV verrichtte een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek en besloot in augustus 2020 de uitkering ongewijzigd voort te zetten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanleiding was een onafhankelijke deskundige te benoemen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV contact had moeten opnemen met de eerdere bedrijfsarts en verzocht om een deskundige. Tevens bracht hij brieven in van GGZ en een arts van Qare ter onderbouwing.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het UWV voldoende zorgvuldig had gehandeld en dat er geen twijfel bestond over de medische beoordeling. De ingebrachte stukken in hoger beroep waren niet relevant voor de datum in geding. Er was geen reden tot deskundigenbenoeming. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitkering bleef ongewijzigd en appellant kreeg geen schadevergoeding of proceskosten toegekend.
Uitkomst: De loongerelateerde WGA-uitkering van appellant blijft ongewijzigd; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.