ECLI:NL:CRVB:2023:2017
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing maatwerkvoorziening opvang wegens ontbreken verblijfsrecht onder Wmo 2015
Appellant, een Algerijnse nationaliteit dragende persoon met een minderjarig Nederlands kind, vroeg een maatwerkvoorziening opvang aan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag af omdat appellant geen verblijfsrecht heeft dat hem aanspraak geeft op maatschappelijke ondersteuning onder de Wmo 2015. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad overwoog dat appellant geen rechtmatig verblijf had als bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, wat een vereiste is voor het verkrijgen van een maatwerkvoorziening opvang. Hoewel appellant in afwachting was van een beslissing op bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER, valt dit verblijfsrecht niet onder de genoemde onderdelen van artikel 8. Tevens is vastgesteld dat appellant geen afgeleid verblijfsrecht heeft van zijn minderjarige Nederlandse kind, omdat er geen zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat het kind het EU-grondgebied zou moeten verlaten zonder verblijfsrecht voor appellant.
De Raad concludeerde dat appellant niet tot de kring der rechthebbenden van de Wmo 2015 behoort en dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Het hoger beroep werd verworpen en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening opvang wordt bevestigd omdat appellant geen rechtmatig verblijfsrecht heeft onder de Wmo 2015.