Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten gerelateerd aan het aanbrengen van geluidsisolatie in zijn woning vanwege een gehoorstoornis. Het college wees de aanvraag aanvankelijk af omdat de kosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Na eerdere procedures en een diagnose van dwangverzamelstoornis werd geoordeeld dat de afwijzing op die grond onterecht was en het besluit vernietigd.
In een nieuw besluit van 1 maart 2022 wees het college de aanvraag opnieuw af, nu stellende dat er geen bijzondere omstandigheden waren. De Raad oordeelde dat het college deze grond niet mocht gebruiken en vernietigde het besluit opnieuw. Vervolgens stelde het college dat de aanvraag afgewezen kon worden omdat de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een voorliggende voorziening is.
De Raad constateerde dat partijen overleg hadden hervat en dat het college appellant ambtshalve had gemeld bij het cluster sociale dienstverlening voor hulp bij de plafondisolatie. In een plan van aanpak was geregeld dat via de Wmo ook de kosten werden gedekt waarvoor appellant bijzondere bijstand had gevraagd. Daarom kon het college de aanvraag terecht afwijzen wegens het bestaan van een voorliggende voorziening.
De procedure duurde ruim zes jaar, wat een overschrijding van de redelijke termijn opleverde. Het college en de Staat werden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan appellant. Daarnaast werd het college veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.