Art. 77 BarpArt. 104, eerste lid, onderdeel k, ARRPArt. 105, eerste lid, onderdeel j, ARGP
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging straf plaatsing in lagere salarisschaal met salarisvermindering bij politieambtenaar
Appellant, werkzaam bij de politie en bezoldigd volgens schaal 7, trede 7, werd door de korpschef gestraft met plaatsing in een lagere salarisschaal (schaal 6, trede 8) met een bijbehorende salarisvermindering. Appellant maakte bezwaar tegen deze straf, maar de korpschef handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat artikel 77, eerste lid, aanhef en onder i, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) een grondslag biedt voor deze straf inclusief salarisvermindering.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat deze wettelijke bepaling geen basis biedt voor vermindering van bezoldiging, mede omdat dit niet expliciet in het Barp is opgenomen zoals in eerdere regelingen. Ook stelde hij dat artikel 77 geenPro rangorde in zwaarte van straffen kent en dat de gewijzigde volgorde in het Barp bevestigt dat salarisvermindering niet is toegestaan.
De Raad oordeelde dat het betoog van appellant faalt. De tekst van artikel 77 biedtPro geen aanknopingspunten om salarisvermindering uit te sluiten. De voorlopers van het Barp kenden deze straf met of zonder salarisvermindering en het Barp is daarop gebaseerd. De Raad wees erop dat de straf een rangorde kent in zwaarte, waarbij plaatsing in een lagere salarisschaal zonder tijdsbeperking grotere gevolgen kan hebben dan andere straffen met tijdsbeperking. Het opleggen van de straf zonder financiële gevolgen zou het beoogde effect ondermijnen.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank Limburg bevestigd. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding en het griffierecht werd niet terugbetaald.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal met vermindering van bezoldiging blijft in stand.
Uitspraak
23/800 AW
Datum uitspraak: 26 oktober 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 januari 2023, 21/643 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de korpschef van politie (korpschef)
PROCESVERLOOP
Met een besluit van 10 augustus 2020, gewijzigd met een besluit van 11 januari 2021 heeft de korpschef aan appellant de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal opgelegd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar de korpschef is met een besluit van 3 februari 2021 (bestreden besluit) bij de oplegging van die straf gebleven.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. M. Hendriks hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 september 2023. Voor appellant is mr. Hendriks verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Theunissen.
OVERWEGINGEN
Samenvatting
De korpschef heeft aan appellant de straf opgelegd van plaatsing in een lagere salarisschaal. Hierbij is de bezoldiging van appellant verminderd. Appellant vindt dat de wettelijke bepaling waarop de straf is gebaseerd, geen grondslag biedt voor vermindering van de bezoldiging. De Raad is van oordeel dat dit wel het geval is.
Inleiding
1.1.
Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.2.
Appellant was werkzaam bij de politie en werd bezoldigd volgens schaal 7, trede 7 (€ 2.866,09), van het Besluit bezoldiging politie (Bbp).
1.3.
Met het besluit van 10 augustus 2020, gewijzigd met het besluit van 11 januari 2021, heeft de korpschef appellant, voor zover hier van belang, de straf opgelegd van plaatsing in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt, op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder i, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). De bezoldiging van appellant is hierbij vastgesteld op schaal 6, trede 8 (€ 2.715,30), van het Bbp.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het op basis van het huidige artikel 77, eerste lid, aanhef en onder i, van het Barp mogelijk is om een ambtenaar terug te plaatsen in een lagere salarisschaal met vermindering van salaris. In de voorlopers van het Barp was dit ook een mogelijkheid. Als teruggang in salaris niet meer de bedoeling was geweest, had het in de rede gelegen dat de wetgever daarop expliciet was ingegaan in de Nota van Toelichting. Dat heeft de wetgever niet gedaan. De redenering van appellant dat terugplaatsing in salaris in de voorlopers van het Barp expliciet stond benoemd en nu niet meer, betekent dat het nu niet meer is toegestaan, volgt de rechtbank dus niet. De rechtbank kan de korpschef ook volgen in het standpunt dat artikel 77, eerst lid, van het Barp een rangorde in zwaarte van straffen kent. Gezien de plaatsbepaling van de sanctie – na schorsing en voor ontslag – geldt de sanctie als de op één na zwaarste. De korpschef heeft beoogd een verlies aan bezoldiging met ingang van de datum van het besluit te bewerkstelligen en heeft dit volgens de rechtbank op deze manier kunnen doen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Hij vindt dat hij in schaal 6, periodiek 9 geplaatst had moeten worden. Volgens appellant biedt artikel 77, eerste lid, aanhef en onder i, van het Barp geen grondslag om de bezoldiging te verminderen. Hij blijft bij zijn standpunt dat dit volgt uit het feit dat in het Barp niet meer expliciet is benoemd dat deze straf kan worden opgelegd onder vermindering van salaris. Bij andere straffen is dit wel het geval. Verder betoogt appellant dat artikel 77 vanPro het Barp ook geen rangorde in de zwaarte van straffen kent. Zo zou de straf als bedoeld in artikel 77, eerste lid, aanhef en onder g, hem meer financieel nadeel opleveren. Ten slotte merkt hij op dat de volgorde in het Barp ten opzichte van de voorlopers van het Barp is gewijzigd. Appellant ziet hierin bevestiging van zijn stelling dat een grondslag voor salarisvermindering ontbreekt.
Het oordeel van de Raad
4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal, onder vermindering van de bezoldiging, in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.2.1.
Appellant heeft aangevoerd dat artikel 77, eerste lid, aanhef en onder i, van het Barp geen grondslag biedt voor vermindering van de bezoldiging. Dit betoog slaagt niet. In de eerste plaats biedt de tekst van dit onderdeel geen aanknopingspunten voor de uitleg van appellant dat plaatsing in een lagere salarisschaal niet gepaard kan gaan met een vermindering van de bezoldiging. Anders dan appellant heeft gesteld, kan dit ook niet worden afgeleid uit het feit dat in de tekst van dit onderdeel niet langer de zinsnede ‘met of zonder vermindering van de bezoldiging’ is opgenomen. De voorlopers van het Barp – het Ambtenarenreglement voor de rijkspolitie 1975 (ARRP) en het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958 (ARGP) – kenden de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal waarvoor een lager maximum geldt, al dan niet voor een bepaalde tijd en met of zonder vermindering van bezoldiging. [1] Bij de opzet van het Barp zijn het ARRP en het ARGP als uitgangspunt gebruikt. In het algemeen deel van de Nota van Toelichting [2] bij het Barp is vermeld dat in het artikelsgewijze gedeelte hoofdzakelijk bepalingen worden toegelicht die afwijkend zijn ten opzichte van het ARRP en ARGP. Bij de inwerkingtreding van het Barp in 1994 is echter abusievelijk niet de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal overgenomen .Dit is hersteld bij Besluit van 21 mei 1997. [3] Er is geen toelichting op deze straf opgenomen. Daarom zijn er naar het oordeel van de Raad ook geen aanknopingspunten voor de conclusie dat is bedoeld om af te wijken van de voorlopers van het Barp en daarmee een vermindering van de bezoldiging niet langer mogelijk te maken.
4.2.2.
Wat appellant heeft aangevoerd over de volgorde waarin de straffen in artikel 77, eerste lid, van het Barp zijn opgenomen, kan ook niet leiden tot de conclusie dat een vermindering van de bezoldiging niet mogelijk is bij plaatsing in een lagere salarisschaal. Anders dan appellant heeft gesteld, kent artikel 77, eerste lid, van het Barp, wel degelijk een opbouw in zwaarte van straffen waarbij de (financiële) gevolgen voor de betrokken ambtenaar steeds groter zijn. De korpschef heeft er ter zitting op gewezen dat de huidige plek van de straf van plaatsing in een lagere salarisschaal ook niet onlogisch is, omdat deze straf zonder beperking in tijd kan worden opgelegd en in dat geval in beginsel grotere gevolgen heeft dan de straffen die alleen kunnen worden opgelegd met een beperking in tijd.
4.2.3.
Ten slotte zou de uitleg die appellant aan artikel 77, eerste lid, aanhef en onder i, van het Barp geeft, namelijk dat de ambtenaar op grond daarvan alleen in het equivalent van de lagere salarisschaal kan worden geplaatst, tot gevolg hebben dat het opleggen van deze straf geen directe financiële gevolgen heeft. Dit zou afbreuk doen aan het gewenste effect van het opleggen van de straf.
Conclusie en gevolgen
5.1.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5.2.
Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2023.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) M. Dafir
Voetnoten
1.Artikel 104, eerste lid, onderdeel k, van het ARRP en artikel 105, eerste lid, onderdeel j, van het ARGP.