Uitspraak
24 juni 2021, 20/3961 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV, maar heeft dit beroep ingetrokken nadat het UWV haar met een gewijzigde beslissing op bezwaar gedeeltelijk tegemoet is gekomen. Op verzoek van appellante heeft de Centrale Raad van Beroep het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellante redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep.
De proceskosten in beroep worden begroot op €1.674,- en in hoger beroep op €837,-. Daarnaast zijn ook kosten voor het raadplegen van een deskundige en het opvragen van medische informatie ter hoogte van €2.076,75 inclusief omzetbelasting toegekend. Het totaal te vergoeden bedrag aan proceskosten bedraagt daarmee €4.587,75. Tevens is het UWV veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €182,-.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 2 november 2023, waarbij het onderzoek ter zitting achterwege is gelaten conform artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De beslissing is in het openbaar uitgesproken en ondertekend door E.J.J.M. Weyers, in aanwezigheid van griffier M.D.F. de Moor.
Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellante na intrekking van het hoger beroep wegens tegemoetkoming.