ECLI:NL:CRVB:2023:2116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en aanpassing FML in WIA-zaak
Appellante, laatst werkzaam als medewerker groenvoorziening, meldde zich in 2012 ziek en ontving vanaf 2014 een WGA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordeling in 2019 stelde het UWV op basis van een psychiatrisch expertiserapport dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna haar uitkering werd stopgezet. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij het oordeel van de verzekeringsarts en de psychiatrische expertise onderschreef.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de rechtbank onvoldoende rekening hield met de diagnoses van haar behandelaars, die een andere medische situatie aannamen dan de UWV-deskundigen. De Raad benoemde daarom een onafhankelijke psychiater als deskundige, die concludeerde dat appellante meer beperkingen had dan eerder aangenomen, met name op het gebied van concentratie en geheugen.
Het UWV paste daarop de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aan, maar de arbeidsdeskundige stelde vast dat deze aanvullende beperkingen geen invloed hadden op de geschiktheid voor voorbeeldfuncties. De Raad volgde het oordeel van de deskundige en oordeelde dat er geen medische grondslag was voor volledige arbeidsongeschiktheid of niet fulltime belastbaarheid. Het bestreden besluit was aanvankelijk onvoldoende gemotiveerd, maar dit gebrek werd gepasseerd omdat appellante hierdoor niet benadeeld was.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep, inclusief vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.