ECLI:NL:CRVB:2023:2120

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 november 2023
Publicatiedatum
14 november 2023
Zaaknummer
20/3265 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV

Appellante stelde hoger beroep in tegen besluiten van het UWV, maar trok dit beroep in nadat het UWV op 8 maart 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar nam waarin het geheel aan appellante tegemoetkwam. Hierdoor kon appellante verzoeken om proceskostenvergoeding.

De Raad heeft op grond van de toepasselijke bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht (artikelen 8:75a en 8:108) geoordeeld dat het UWV moet worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellante in beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten zijn begroot op € 2.511,-, bestaande uit kosten in beroep en hoger beroep.

Daarnaast moet het UWV het betaalde griffierecht van € 178,- vergoeden. Voor twee andere beroepszaken was reeds bepaald dat het griffierecht door het UWV werd vergoed of niet geheven. De uitspraak is gedaan zonder mondelinge behandeling omdat partijen geen gebruik maakten van het recht op een zitting.

De Centrale Raad van Beroep heeft hiermee het verzoek van appellante toegewezen en het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht, waarmee de procedure is afgerond.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 2.511,- en griffierecht van € 178,- aan appellante.

Uitspraak

Datum uitspraak: 8 november 2023
20/3265 ZW, 20/3266 WIA, 20/3267 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 augustus 2020, 19/2581, 19/2174 en 19/1985 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [A.] hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 8 maart 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 24 maart 2023 heeft [B.] namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft op 3 mei 2023 laten weten zich niet te verzetten tegen een veroordeling in de forfaitaire proceskosten.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Partijen hebben niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om ter zitting te worden gehoord. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat bij intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het Uwv heeft op 8 maart 2023 een nieuw besluit genomen. Daar staat in dat het ziekengeld van appellante op grond van de Ziektewet per 18 december 2018 wordt voortgezet, dat haar haar aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen opnieuw zal worden beoordeeld en dat de terugvordering van het ziekengeld komt te vervallen. Daarmee is geheel aan appellante tegemoetgekomen.
Het Uwv heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase. Daarom moet de Raad nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.674,- in beroep (1 punt voor het nadere beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 837,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift), totaal € 2.511,-.
Verder dient het Uwv het door appellante in beroep voor één beroepzaak en in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. Voor de andere twee beroepszaken geldt dat de rechtbank in een ZW-beroepszaak al heeft bepaald dat het Uwv het griffierecht dient te vergoeden en dat in de WIA-beroepszaak geen griffierecht is geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.511,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 178,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door W.R. van der Velde, in tegenwoordigheid van D. Schaap als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2023.
(getekend) W.R. van der Velde
(getekend) D. Schaap